Posts tonen met het label Straatman. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Straatman. Alle posts tonen

donderdag 9 maart 2017

Opa am Tatort

1931, Putbroek

Als kleine jongen logeerde ik regelmatig bij mijn opa in Valkenburg en dan keken we ’s avonds vaak naar krimi’s op de Duitse tv, zoals Der Kommissar en Derrick. Maar met geen woord repte hij ooit over een waar Tatortavontuur dat hij zelf had meegemaakt.


In de bossen bij de Nederlands-Duitse grens in de huidige gemeente Echt-Susteren in Limburg werd in de crisisjaren voor de oorlog behoorlijk veel gestroopt. Voor de lokale bevolking was dit deels een traditionele gewoonte en deels noodzaak om het karige crisisdieet aan te vullen. De eigenaar van de bossen was dit een doorn in het oog. Om het stropen tegen te gaan nam hij een jachtopziener in dienst. Drie jonge mannen uit het buurtschap Putbroek die in de nacht van 27 op 28 november 1931 uit stropen waren gegaan, bleken de volgende ochtend niet teruggekeerd. Verschillende omwonenden hadden wel schoten gehoord. De veldwachters werden ingeschakeld en met de hulp van enkele nabij gelegerde marechaussees werden de bossen in de omgeving waarvandaan de schoten waren gehoord uitgekamd. Na een langdurige zoektocht werd een zorgvuldig gecamoufleerde dichtgegooide kuil gevonden, waarin men de vermisten aantrof. Ze waren van dichtbij doodgeschoten. 

Opa (rechts) in Scheveningen.

Een van de marechaussees die het onderzoek mede had geleid, getuigde later voor de rechtbank dat hij wel tien keer over de dichtgegooide kuil was gelopen voordat hij merkte dat er iets aan de hand was. Van en naar de kuil werd een spoor gevonden, een schoenafdruk die overeenkwam met de zolen van de schoenen van de zoon van de jachtopziener.

De jachtopziener bleek uiteindelijk de moordende dader en diens zoon de medeplichtige. Later werd bovendien duidelijk dat de jachtopziener ook nog schuldig was aan een vierde moord, enkele maanden eerder. Het nieuws over het zogenaamde ‘Drama van Putbroek’ en de juridische nasleep haalde de kranten in heel Nederland en zelfs het buitenland tot in Amerika aan toe vanwege de koelbloedige gruwelijkheid. Aan de Annendaalderweg in Putbroek staat een Moordkruis ter herinnering. 
De oplettende marechaussee die in het bos de kuil met de slachtoffers vond was mijn opa Jan Straatman (1903-1981). ‘Harry, hol schon mal den Wagen!’

Bovenstaand verhaal verscheen in maart 2017 eveneens als column in het tijdschrift Gen.magazine van het CBG, onder de titel 'Plaats delict Putbroek'.


Het Drama van Putbroek had een enorme maatschappelijke impact. Niet alleen wijdden kranten in binnen- en buitenland er lange artikelen aan, ook de populaire cultuur ging er mee aan de slag. Er werden verschillende liedteksten over geschreven. De liedteksten werden door straatverkopers aan de man gebracht. Een paar van die liedteksten is opgenomen in het digitale Geheugen van Nederland.



Ten minste één ervan is in 1932 ook op de plaat gezet door Kees Pruis:





Bronnen:
- Website Dodenakkers.nl 
- Wikipedia 
- Leidsch Dagblad van 23 aug. 1932, waarin getuige J. Straatman wordt opgevoerd
- Website Bidprentjes.nl
- Liedtekst 1, Geheugen van Nederland 1 
- Liedtekst 2, Geheugen van Nederland 2
- Liedtekst 3, Geheugen van Nederland 3
- De Moord te Echt, van Kees Pruis, YouTube 

woensdag 27 januari 2016

Nog meer vermoorde 'huisgenoten'

1943 juni 4, Sobibor

Tegenover mijn huis in de Amsterdamse 2e Jan Steenstraat hangt in het portaal van huisnummer 112 een grote marmeren plaquette met het volgende opschrift: Ph Zeehandelaar. Sanitaire en waterleiding- artikelen. Zaterd. en Israel. feestdagen gesloten. Al langere tijd vroeg ik mij af wie de drager van deze fraaie Joodse naam was. Dus ging ik onlangs op onderzoek uit. Een zoektocht die op het eerste gezicht niet moeilijk kon zijn, maar toch een bijzondere wending nam.

De zaak van Ph. Zeehandelaar trof ik al gauw in de gids van de Gemeentetelefoon Amsterdam van december 1929. Het bedrijf was toen gevestigd op nr. 110. In het Algemeen Adresboek der Stad Amsterdam 1939-1940 was de zaak verhuisd naar nr. 112 en woonde Ph. Zeehandelaar zelf op nr. 113, het adres waar ik zelf woon. Hoe bizar kan toeval zijn, de gezochte woonde in hetzelfde huis als de onderzoeker. Na de oorlog werd de zaak Ph. Zeehandelaar in de 2e jan Steenstraat 112 tot in de jaren tachtig in telefoonboeken vermeld. Van Ph. zelf kon ik echter amper een spoor ontdekken. In het adresboek van 1927-1928 stond hij vermeld als woonachtig op Muiderstraat 5, met de omschrijving 'reiziger'.  En in enkele familieadvertenties in het Nieuw Israëlitisch Weekblad uit 1909, 1925 en 1936 kwam hij voor als familielid c.q. nabestaande van het echtpaar Godschalk Zeehandelaar en Bloeme Slap (gehuwd Enkhuizen 7 juni 1865). Ik heb hun hele afstamming in kaart gebracht. 12 kinderen en enkele kleinkinderen, maar daaronder géén Ph. Wel vond ik via het Digitaal Joods Monument dat  Minicus Zeehandelaar (geb. 17 aug. 1883 te Amsterdam,  zoon van Godschalk en Bloeme) en diens vrouw Anne Konijn (geb. 29 mrt. 1886 te Amsterdam) vanuit 2e Jan Steenstraat 113 werden gedeporteerd om op 4 juni 1943 te worden vermoord in Sobibor, een lot dat ze deelden met hun hele familie. Minicus en Anna waren volgens de Persoonskaarten  op 11 januari 1922 in Amsterdam getrouwd. Toen ging bij mij een lichtje branden. In het Nieuw Israelitisch Weekblad van 30 dec. en in het Handelsblad van 27 dec. 1921 vond ik een aankondiging van het huwelijksfeest  van Philip (!) Zeehandelaar en Anna Konijn, op 11 januari 1922 in café d’IJsbreker aan de Amstel. Philip en Minicus waren dus één en dezelfde persoon.


Dit verhaal verscheen oorspronkelijk in maart 2012 als column in het tijdschrift Genealogie van het CBG.

Zie ook de sindsdien aangevulde website Joods Amsterdam.

dinsdag 26 januari 2016

Vermoorde 'huisgenoot'


1814 april 11,  Heughem

Mijn ouders Henk Straatman (1933-2010) en Mia Diederen (1933-2014) hebben lange tijd in Eijsden gewoond. Als ik daar op bezoek was geweest, passeerde ik op weg terug naar huis vaak het zogenaamde Moordkruis van Heugem. Het staat aan de ingang van het voormalige gelijknamige dorp, wanneer je vanuit het zuiden langs de Maasoever Maastricht binnenrijdt. In het katholieke zuiden was het vroeger gebruikelijk om wegkruizen te plaatsen naar aanleiding van schokkende gebeurtenissen, zoals een moord of ongeluk. Mijn moeder beweerde ooit dat het slachtoffer dat met het Moordkruis wordt herdacht, in haar huis aan de Kerkstraat 13 te Eijsden had gewoond. Daarop had ik destijds weinig acht geslagen, maar nu wilde ik het toch eens uitzoeken. Via een bevriend bestuurslid van de Vereniging Eijsdens Verleden probeerde ik bevestiging van het verhaal van mijn moeder te krijgen en ze bleek het bij het rechte eind te hebben gehad.


Het opschrift van het stenen kruis luidt: 1814 den 11 april is alhier doodgestooken Arnoldus Houbiers van Eysden. Aldaar gebooren den 30 7ber 1788. Bid God opdat zyne ziel mag rusten in Vreede Amen. Verder toont het kruis een afbeelding van een mes, het moordwapen, en een hart, om aan te geven dat het om een liefdesdrama ging. Arnoldus Houbiers werd vermoord na afloop van de plaatselijke kermis. Kermissen waren destijds ook in die streek een belangrijke huwelijksmarkt. Volgens de lokale overleveringen bezocht Arnoldus de kermis van Heugem, waar hij weer probeerde aan te pappen met zijn voormalige vriendinnetje Kaatje. Twee broers waren niet gediend van deze vreemde vrijer en het kwam tot een handgemeen. Later wachtten zij Arnoldus buiten het dorp op de weg naar Eijsden op, waarbij het tot een fatale steekpartij kwam. Arnoldus was geboren in de oude boerderij van mijn ouders, als zoon van Johannes Houbiers (1741-1801), landbouwer en raadslid (1800-1801), en Lucia Piters (1748- 1829). Johannes Houbiers had het huis op 19 januari 1785 gekocht van zijn zus Anna, die het weer had verkregen uit de erfenis van hun beider ouders Hubert Houbiers en Elisabeth Janssen. Ten tijde van de moord was het huis al overgegaan in handen van Arnoldus’ oudere broer Hubertus Houbiers (1772-1849), die van 1821-1825 en 1827-1842 net als zijn vader raadslid in Eijsden was. Zou hij voor dat mooie gedenkteken hebben gezorgd?


Dit verhaal verscheen oorspronkelijk in september 2015 als column in Gen.magazine van het CBG.

maandag 6 april 2015

... of brandewijn en aderlating tegen verdrinking

1775 juni 13, Amsterdam

Een kleine tien maanden nadat Jan Straatman in Rotterdam maar ternauwernood van de verdrinkingsdood werd gered (zie vorige bijdrage) was in Amsterdam een naamgenoot hetzelfde lot beschoren. Hij onderging een behandeling met brandewijn en aderlating. De tabaksrook via klisteerpijp bleef hem bespaard, maar de aderlating was kennelijk onbetwist.

De Raampoort ca. 1723, door Jan Lamsvelt (1674-1743)
Te Amsterdam, den 13den Juny 1775, op den middag, tusschen twaalf en één uuren, zag de Chirurgyn Abraham Janszen, buiten de Raampoort, voor de zaagmolen De Kool, in de stads buiten-cingel, drie jongens op een balk loopen, waar van er één, met naame Jan Straatman, oud veertien jaaren, achterover in het water viel, en na wel een kwartier uurs geworsteld te hebben, naar den grond zonk. Op het gerucht het geen de Chirurgyn Janszen maakte, riep de Heer Zaal, van de molen de Visscher, zyn knecht Pieter Sweerman, die aanstonds, zonder zich den tyd te geeven om zyn klederen uit te trekken, in het water sprong, en den drenkeling van den grond ophaalde, waarop hy hem voor dood aan den wal bragt, vanwaar men hem vervolgens vervoerde in een herberg vóór de Raampoort. Hier was men beezig hem op een ton te rollen, wanneer er de bovengenoemde Chirurgyn Abraham Janszen by kwam, die dit ten eersten belette, den lyder een aderlaating op den arm deed, en, met moeite, een kelk brandewyn in de keel goot, waarop hy eerst begon over te geeven, toen zichtbaar adem te haalen, en, eindelyk, te spreeken. Vervolgens wierd hy verschoond, en, in zyn moeders wooning, in een warm bed gelegd. Een aanhoudende pyn op de borst , verzeld van benaauwdheid in het ademhaalen , waarschynelyk veroirzaakt door het rollen op de ton, maakte het gebruik van eenige middelen noodzaaklyk , die echter van de gewenschte uitwerking waren, dat deeze lyder, agt dagen na dit voorval, zich zeer wel vaarende bevond. De Chirurgyn Janszen heeft de gouden medaille ontfangen.

Buiten de Raampoort, door Anthonie van den Bosch (1763-1838)

Ik heb deze Jan nog niet in dtb's of burgerlijke stand kunnen achterhalen. Maar deze keer weten we weer meer over de plaats van handeling. De genoemde zaagmolen De Kool lag volgens de Molendatabase ter hoogte van wat nu Frederik Hendrikstraat 65 in Amsterdam is. Vlak daarbij heb ik in mijn studententijd gewoond, aan de Marnixstraat. Op de website van het Rijksmuseum zijn mooie prenten te vinden die een beetje een idee geven van de situatie bij de Raampoort en het gebied dat 'Buiten de Raampoort' werd genoemd.
Pieter Sweerman, die Jan Straatman uit het water opviste en zo het leven redde, is mogelijk de man die vanuit Amsterdam op 18 augustus 1778 als kuiper aanmonsterde op het VOC-schip De Bleijenburg. Hij overleed in juni het jaar daarna in Batavia.

Bronnen:
- Historie en gedenkschriften van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen opgerecht binnen Amsterdam 1767. Deel 2, zesde stukje, Amsterdam 1776, pag. 315-316. Zie Google Books, gratis downloadbaar als E-Book..
- Voor prent  'Buiten de Rampoort', zie website Rijksmuseum 
- Voor prent 'De Raampoort', zie website Rijksmuseum
- Voor info over kunstenaars, zie RKDartists
- Voor méér info over zaagmolen De Kool, zie website Molendatabase
- Voor info over Pieter Sweerman, zie VOC-Archief van NA. 

Tabaksrook en aderlating tegen verdrinking...

1774 augustus 23, Rotterdam

In 1767 werd in Amsterdam de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen opgericht. Aanleiding was het grote aantal verdrinkingen in de grachten van de Hollandse steden. Niet iedereen kon zwemmen in die dagen. Ook was toen het drinkwater zo slecht dat mensen, jong en oud, uit gezondheidsoverwegingen er verstandig aan deden bier of wijn te drinken. Dat kwam de gebrekkige zwemvaardigheid natuurlijk niet ten goede. De Maatschappij tot Redding van Drenkelingen, die nog steeds bestaat, propageerde vanaf het begin manieren om mensen te reanimeren, met name door bij de drenkeling middels een klisteerpijp tabaksrook in de kont blazen en ze daarop ook nog te aderlaten. Nog een wonder dat er zoveel overleefden... Ook gaf de maatschappij gouden, zilveren of bronzen medailles aan redders, om goede voorbeelden te stellen. Zie de afbeelding, waarop een redster Magere Hein op afstand houdt. De reddingsverhalen werden verder ter lering ende vermaak geboekstaafd. In onderstaand verhaal figureert ene Jan Straatman.
"Te Rotterdam den 23sten Augustus 1774 was Jan Straatman, oud omtrent agt jaaren, zoon van Jan Philip Straatman, werkman op de buitenplaats van den Heer M. van Donk aan den ouden dyk, in een zeer modderige sloot tusschen de voornoemde buitenplaats en die van Juffrouw van Es, in het water gevallen , terwyl de vader beezig was, omtrent veertig treden van daar in de zelfde sloot te baggeren. Een knecht van de nabygelegen lootwitmaakery, genaamd Dirk, die even te vooren het jongetje daar gezien had, zag nu deszelfs hoed in de sloot op het kroosl dryven, waarop hy zulks den vader Straatman aanwees, en zy beiden in het vermoeden kwamen dat de jongen zou verdronken zyn. Hierop om hulp roepende, kwamen verscheiden menschen toeschieten , en de vader, die zyn praam derwaarts gehaald had, voelde met een stok naar zyn kind. Doch de Heer C. Burger stelde hem voor dat hy mee dien stok het kind niet kon ophaalen, en derhalven beter zou doen een hark of kraauw te neemen. De moeder van den drenkeling ondertusschen daar by gekomen zynde, maakte een groot misbaar, en riep men zoude maar in de floot springen om het kind te zoeken, gelyk Harmen Joosten, tuinman op de zelfde buitenplaats, eindelyk deed, en, terwyl hy zich aan de praam vast hield, met zyn voeten voelde, of hy de jongen kon aantreffen, het welk hem, na eenigen tyd op deeze wyze gezocht te hebben, gelukte. Toen zyn eene hand van de praam los laatende , haalde hy het kind van den grond, en gaf het aan een van de knechts, die daar by waren. Men kon geen de minste tekens van leven of beweeging in den drenkeling bespeuren, zo dat alle de omstanders, en in 't byzonder de moeder, die daarover zeer jammerde, hem voor dood hielden. Harmen Joosten, uit het water gekomen zynde, nam den drenkeling, hield hem terwyl de mond open was, 't onderste boven, rolde hem over een half vat, en blies hem met een tabakspyp den rook in het fondament. Nadat hy hier mede eenigen tyd had aangehouden, begon men eenige trekking en beweeging in den lyder gewaar te worden, het welk kort daar na zodanig vermeerderde, dat men kon zeggen dat hy leefde. Hierop bragt men hem in huis, ontkleedde hem, en leide hem voor een groot vuur, vervolgens een Chirurgyn gehaald hebbende, wierd hem een ader geopend, en toen te bed gelegd, alwaar hy verder geheel herstelde."
Ik heb deze Jan Straatman ook weten terug te vinden in het Luthers doopboek van Rotterdam. Hij werd gedoopt op 30 november 1766. Zij ouders waren Jan Philip Straatman en Catharina Bolderiks, die op 3 augustus van dat jaar waren getrouwd in Kralingen. De jonge Jan zou op 10 november 1793 in Schoonhoven trouwen met Catharina Frederiks en pas op 12 mei 1821 overlijden in Schoonhoven. Naar het zich laat aanzien leven er nog nakomelingen van Jan, met dank aan Harmen Joosten.

Bronnen:
- Historie en gedenkschriften van de Maatschappij tot Redding van Drenkelingen opgerecht binnen Amsterdam 1767. Deel 2, zesde stukje, Amsterdam 1776, pag. 262-263. Zie Google Books, gratis downloadbaar als E-Book..
- Digitale Stamboom Rotterdam en WieWasWie voor genealogische gegevens.
- Wikipedia over medaille en Maatschappij.
- Website van de nog bestaande Maatschappij tot Redding van Drenkelingen.

zondag 3 januari 2010

Een van zijn geloof gevallen dominee en Multatuli

1870 april 26, Groningen / Mainz

Jan Willem Straatman (Den Haag 27 dec. 1825 - Rijswijk 4 dec. 1882) was de enige zoon uit het huwelijk van Heindrinus Fredrik Straatman en Clasina Koopmans die niet koos voor een militaire carrière.  Van zijn vier broers die de volwassen leeftijd bereikten en allemaal een militaire carrière volgden haalde alleen zijn jongste broer zijn pensioen. De andere drie overleden slechts 24 of 26 jaar oud in Indië. (Zie vorige stukje.) Het lijkt logisch te veronderstellen dat deze gebeurtenissen in Indië van invloed zijn geweest op de verdere ontwikkeling van Jan Willem Straatman.

Jan Willem werd predikant in plaats van militair. Hij studeerde theologie te Amsterdam en werd vervolgens doopsgezind predikant te Wormerveer (1849-1850) en Groningen (1850-1867). In Groningen kwam Straatman in de ban van het modernisme. Het modernisme was een typisch negentiende eeuws verschijnsel. Binnen het protestantse modernisme werden er pogingen ondernomen om het geloof zoveel mogelijk te ontdoen van bovennatuurlijke connotaties en in overeenstemming te brengen met nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen van die tijd, zodat alleen de christelijke essentie zou overblijven. De aanhangers van het modernisme waren vaak ook  betrokken bij nieuwe wetenschappelijke stromingen als het Malthusianisme en het Darwinisme. (In 1859 publiceerde Darwin On the origin of Species). Ze hielden er vaak progressieve ideeën op na op het gebied van onderwijs, belastingen en levensomstandigheden van het gewone volk.

Binnen de doopsgezinde gemeenschap, die van oudsher sterk egalitaire trekken kende, had het modernisme veel invloed bij met name de geestelijke voormannen. Sommige dominees namen voor die tijd zéér radicale standpunten in. Jan Willem Straatman schreef bijvoorbeeld in 1862 De realiteit van ’s Heeren opstanding uit de dooden en haare verdedigers. Een kritisch onderzoek kritisch onderzocht (Groningen 1862) waarin  hij betoogde dat de lichamelijk opstanding van Christus niet erg aannemelijk was.

Straatman had nog meer radicale ideeën.  Hij verwierp niet alleen de lichamelijke opstanding van Jezus, hij was ook tegen het vieren van de christelijke feestdagen. De achterban kon de radicale voorman echter niet volgen. Het kerkbezoek liep terug. In 1867 stelden Straatman en zijn directe collega Corver voor om de doop, de avondmaalviering en de christelijke feestdagen af te schaffen. Daaraan koppelden zij het ultimatum dat zij zouden aftreden als de voorstellen niet zouden worden aangenomen. De gemeente ging echter niet akkoord en de twee dominees legden hun ambt neer. Straatman’s afscheidspreek, getiteld Broeders, ik bid u, gij hebt mij geen onregt gedaan, werd uitgegeven.

Straatman ging vervolgens werken als journalist / redacteur voor de  Nieuwe Groninger Courant. Daarnaast schreef hij een aantal studies over het vroege christendom in de geest van de modernisten. In 1879 werd hij te Rijswijk lid van de gemeenteraad en in 1881 wethouder. Hij verbrak alle banden met de kerk en nam afstand van het geloof.
Zijn kompaan Corver raakte volledig aan lager wal en eindigde als clochard in Parijs.

In de periode dat Straatman redacteur was van de Nieuwe Groninger Courant kwam hij in contact met Multatuli.  Eduard Douwes Dekker, die verlegen zat om extra inkomen, verzocht Straatman 26 April 1870 per brief vanuit Mainz, om méér kopij te mogen leveren voor diens dagblad. In die brief opent Multatuli als volgt:

Zeer geachte Heer Straatman, 

Het spreekt vanzelf, dat ik U by renom-
mée ken. Dank - of wyt - hieraan
myn familiairen toon, en neem me
wat slordigheid in vorm niet al te
kwalyk. Ik meen 't goed…//…


Zie verder Parenteel Straatman Utrecht - Den Haag op www.straatmannen.nl

Bronnen:
-Website Doopsgezinde Historische Kring (http://www.dhkonline.nl/?p=145)
- http://www.dbnl.org/tekst/kort006isvo01_01/kort006isvo01_01_0032.htm (scroll naar pag. 99 voor brief Multatuli)
- Mirjam Buitenwerf-van der Molen, God van vooruitgang. De popularisering van het modern-theologische gedachtengoed in Nederland (1857-1880), Hilversum 2007.
- Biographisch woordenboek der Noord- en Zuidnederlandsche letterkunde,  J.G. Frederiks en F. Jos. van den Branden
- Biografisch lexicon voor de geschiedenis van het Nederlands protestantisme, deel 3 (1988), pag. 348-349

zaterdag 2 januari 2010

Ridders en onfortuin

1854-1855, Den Haag / Indië

Families kennen tradities. Daarbij kun je ook denken aan familieberoepen. In deze specifieke familie Straatman maken drie generaties mannen carrière in het leger. En dat doen ze niet verkeerd. Als bijvangst grossieren ze ook nog eens in Ridderorden.

Binnen twee generaties twee keer Ridder in de Orde van de Eikenkroon (zie afbeelding), één Officier in de Orde van de Eikenkroon, één Ridder in de Orde van de Gouden Leeuw van Nassau en als klap op de vuurpijl ook nog een Ridder der Militaire Willemsorde. Er zullen denk ik niet veel families zijn die zich daar aan kunnen spiegelen.

Alleen heeft het ze geen geluk gebracht. De drie zonen van de eerste Ridder (Heindrinus Fredrik) stierven jong in Indië. Slechts één zoon (Pieter Johannes) haalde bij het leger zijn pensioen. Als kolonel droeg hij dan ook maar liefst drie medailles. Een vijfde zoon werd predikant. (Zie volgend bericht.)
Frederik, de drager van de hoogste militaire eer, de Militaire Willemsorde, heeft zijn onderscheiding maar amper een jaartje kunnen dragen. En zijn ouders ontvingen in Den Haag het bericht dat hij de Willemsorde ontvangen had ongeveer gelijktijdig met het bericht dat een andere zoon (Dirk Straatman) in Indië gestorven was. (Zie afbeeldingen familieadvertenties.) Glorie en eer maken dus niet gelukkig. En er zijn zover bekend geen naamdragers over om trots terug te kunnen kijken.

 
 


I
Pieter Johannes Straatman, geboren ca. 1757, overleden Utrecht 11 apr. 1843, zoon van Frederik Straatman en Cornelia Kelfkens. Kapitein-luitenant der Marine. Gehuwd met Hendrina Elisabeth Peters, overleden Utrecht 31 mrt. 1838.
Uit dit huwelijk o.a.:
  • Heindrinus Fredrik Straatman, volgt II.
II
Heindrinus Fredrik Straatman, gedoopt Utrecht 27 aug. 1788, overleden Den Haag 4 nov. 1861, zoon van Pieter Johannes Straatman en Heindrina Elisabeth Peterse. Referendaris bij het departement van Oorlog, later (1852)Secretaris weduwen- en weezenkas voor de officieren van de landmacht. Ridder in de Orde van de Eikenkroon 28 okt. 1852. Gehuwd Den Haag 22 aug. 1815 met Klasina Coopmans, geboren Sneek ca. 1787, overleden Groningen 8 jan. 1875, dochter van Anske Rinses Coopmans en Akke Heebles Zwanenburg.
Uit dit huwelijk o.a.:
  • Ansko Straatman, geboren Den Haag 21 mrt. 1824, overleden Batavia 5 okt. 1846. Tweede Luitenant der Artillerie in het Indische Leger.
  • Dirk Straatman, geboren Den Haag 7 nov. 1827, overleden Surabaja 1 sept. 1854. Eerste Luitenant de Artillerie (7 jul 1847 tweede Luitenant), onder-constructeur bij de Constructie-Magazijnen.
  • Frederik Straatman, geboren De Haag 3 mei 1829, overleden Montrado (Borneo) 8 juni 1855. Eerste Luitenant de Artillerie (10 jul. 1850 tweede Luitenant, 27 sep. 1854 eerste Luitenant). Ridder der Militaire Willemsorde 4e Klasse 21 okt. 1854.
  • Pieter Johannes Straatman, volgt III
III
Pieter Johannes Straatman, Volgt III geboren Den Haag 20 feb. 1834, overleden Den Haag 6 okt. 1894. Eerste Luitenant-Adjudant der Infanterie (1863), Kapitein 7e regiment infanterie (20 mei 1867), later regiment grenadiers en jagers (ná 1869), Majoor 4e regiment infanterie (30 sep. 1881), Luitenant-Kolonel (in 1888), Kolonel in ruste (1894). Ridder in de Orde van de Eikenkroon 16 okt. 1869, Officier in de Orde van de Eikenkroon 12 okt. 1880, Ridder in de Orde van de Gouden Leeuw van Nassau 4e Klasse 20 aug. 1882. Gehuwd Groningen 9 juli 1863 met Johanna Wilhelmina van Hoogenhuize, geboren Den Haag 9 mei 1835, overleden Den Haag 13 jul. 1888, dochter van Daniel Philippus van Hoogenhuize (secretaris) en Geertruida Maria Schouten.

Zie verder Parenteel Straatman Utrecht - Den Haag op www.straatmannen.nl

Bronnen:
-C.P. Mulder en P.A. Christiaans, Onderscheidingen van de Koning-Groothertog. De Orde van de Eikenkroon 1841-1891. (Kanselarij der Nederlandse Orden, Den Haag 1999)
-C.P. Mulder en P.A. Christiaans, Een select gezelschap en een vergeten onderscheiding: Ridders in de Orde van de Gouden Leeuw van Nassau, in: Jaarboek van het Centraal Bureau voor Genealogie, jaargang 44 (Den Haag 1990)
-Genlias (www.genlias.nl)
-Centraal Bureau voor Genealogie, Collectie familieadvertenties tot 1970 (www.cbg.nl – Digitale studiezaal)
-Regerings-Almanak van Nederlandsch-Indië 1815-1942 (DVD, uitgave CBG)

woensdag 16 december 2009

Kribwerkbaas Straatman wordt broeder

1842 januari 29, Maasbracht

Toen na de Franse Tijd Nederland haar onafhankelijkheid herwon èn een koninkrijk werd vond men (Willem I voorop) daarin aanleiding om een nieuw decoratiestelsel in te stellen. De Franse onderscheidingen werden namelijk afgeschaft. Voor militairen kwam de welbekende Willemsorde. Voor burgers werd een civiele pendant ingevoerd: De Orde van de Nederlandse Leeuw. Deze oudste en hoogste Nederlandse civiele orde werd op 29 september 1815 door Koning Willem I ingesteld.

De Orde "strekt tot vererende onderscheiding van Nederlanders die bewijzen geven van beproefde vaderlandsliefde, bijzondere ijver en trouw in het volbrengen hunner burgerplichten of buitengewone bekwaamheid in wetenschap en kunsten". Aan de orde was van 1815 tot 15 april 1994 ook de graad van Broeder verbonden. Dit was de graad voor het "gemene volk". Broeders werden wel verdienstelijk geacht maar kregen vanwege hun maatschappelijke positie binnen het decoratiestelsel geen ridderkruis. Onderscheid moest er immers wezen. In totaal werden 572 mensen benoemd tot Broeder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Een voordeeltje voor de Broeders was dat er, in tegenstelling tot de Riddergraden, aan de Broedergraad wel een geldelijke toelage verbonden was. Deze toelage was bij wet vastgesteld op 200 gulden per jaar. In de beginjaren was dat nog een aanzienlijk bedrag. Een dagloner verdiende in 1840 tussen de 60 en 75 cent per dag. Dus 200 gulden was toen een klein jaarloon. Maar omdat de toelage niet geïndexeerd werd verviel het meer en meer tot een fooi naar mate de tijd voortschreed.

Bij Koninklijk Besluit van 29 januari 1842 werd G. Straatman, Opzichter Waterstaat te Maasbracht, benoemd tot Broeder. Hoewel de officiële brief spreekt van Gerardus blijkt het hier te handelen om Gijsbertus Straatman. Mogelijk was zijn roepnaam Gert, en werd die weer gelatiniseerd tot Gerardus.

Gijsbertus (Gijsbert) Straatman, gedoopt (RK) 22 sept. 1809 te Pannerden, overl. 3 juli 1858 te Maasbracht, zoon van Theodorus Straatman en Elisabeth Hendriks, gehuwd 4 feb. 1831 te Pannerden met Albarta Gelsing, geboren te Pannerden, dochter van Gerhardus Gelsing en Johanna Hendriks. (Zie www.straatmannen.nl, parenteel Pannerden, VI.34)

In de huwelijksakte werd zijn beroep omschreven als "kribwerkbaas", hetgeen zich wel laat vertalen tot "opzichter waterstaat". Ook zijn schoonvader was werkzaam bij Waterstaat.

Welke heldendaad Gijbertus Straatman heeft verricht om de onderscheiding te verdienen wordt uit het Koninklijk Besluit niet duidelijk. Maar een redding van een drenkeling ligt voor een kribwerkbaas voor de hand. Wie kan hier verder helpen?

Bron: C.P. Mulder en P.A. Christiaans, Een gemengd gezelschap en een vergeten onderscheiding. Broeders in de Orde van de Nederlandse Leeuw 1816-1960, in: Jaarboek Centraal Bureau voor Genealogie, jaargang 42 (Den Haag 1988), pag. 213-272

Met dank aan collega's Martin Spaans en Peter Christiaans

dinsdag 24 november 2009

Kasteel Straatman ?

De meeste stammen Straatman in Nederland vinden hun oorsprong in Gelderland. In de 16e eeuw noemden ze zich daar afwisselend Straetman, Op ter Straten, Van Straten of Verstraeten, waarbij verschillende spellingen werden gehanteerd. Sommigen werden geboren als Op ter Straten, kochten een huis als Verstraeten en werden begraven als Straetman. Hoewel er nog veel onderzoek naar gedaan moet worden heb ik al kunnen vaststellen dat veel Straatmannen toen behoorden ze tot de betere kringen. Er was ook sprake van bezittingen en een zekere rijkdom. Ze huwden met telgen van stedelijke patriciaatfamilies in Arnhem en Doesburg of landadel in de Veluwezoom.
In de oude legende De Witte Juffer van Hoog Soeren is er (voor wat het waard is) zelfs sprake van een kasteel nabij Hoog Soeren dat door een Straatman werd bewoond:

...Hoog Soeren is waarschijnlijk ouder dan Apeldoorn. Er was reeds zeer vroeg een nederzetting van de oudste bewoners der „Vale Ouwe". Dit bewijzen de talrijke Germaansche grafheuvels, die er worden aangetroffen. De bron van Pomphul is zoo oud, dat ze wel door Wodan zelf verwekt kan zijn. De naam Pomphul is eigenlijk van later tijd, want de oude naam, die ook nog wel gebruikt wordt, is Spring-del (dal van de spreng, of brondal) een naam die veel eigenaardiger is dan het tweeslachtige en ongemotiveerde „Pomp-hul"(pompheuvel). Het is nog niet eens zoo heel lang geleden, dat daar volstrekt geen pomp te zien was, en het water er uit den grond opwelde. Door deze bron en den later gegraven put in de Steeg (waarop nu ook een pomp staat), was Hoog Soeren als een oase gelegen midden in de droge woestenij der Vale Ouwe. Deze laatste put behoorde bij het kasteel, dat gestaan heeft op het kruispunt, waar nu de wegen bij elkaar komen van den Echoput, van Apeldoorn, van Assel en van den Dassenberg. Bij het aanleggen van den grindweg stootte men op de kelders van het kasteel en vond daarin nog steenen kogels. Volgens de overlevering was de laatste kasteelbewoner Straatman geheeten en moeten de stallen gestaan hebben op de hoogte waar zich nu het hotel Eik en Dal bevindt...

Als hier al een kern van waarheid in schuilt, dan moet het kasteel vernietigd zijn vóór de Tachtig Jarige Oorlog. Want uit de tijd van de Republiek ken ik de bronnen goed en is er nergens sprake van zo'n kasteel.

Bron: Veluwse Sagen, geschreven en verlucht door Gust. van de Wall Perné, derde druk, Amsterdam 1917, pag. 32-33


Pomphul, Hoog Soeren

maandag 23 november 2009

Ene Straatman trouwt maitresse van d'Artagnan

1642, Parijs

Charles de Batz de Castelmore, Comte d'Artagnan (Loupiac 1611 - Maastricht 25 juni 1673) werd door toedoen van de Comte de Treville (1598-1672), een vriend van zijn vader,  opgenomen bij de Garde van de Mousquetiers. In zijn jonge jaren was d’Artagnan nogal een heethoofd, die zichzelf regelmatig in de nesten werkte.


In 1642, het jaar dat Kardinaal de Richelieu (1585-1642) overleed, had d’Artagnan een affaire met de knappe vrouw van de herbergier wiens zaak hij regelmatig bezocht met zijn compaan Athos. Tot twee maal toe leidde dat tot een gevecht met de jaloerse echtgenoot. De herbergier werd beide keren zelfs opgesloten in de gevangenis Grand-Châtelet. Via zijn goede contacten met Comte de Treville redde d’Artagnan steeds zijn reputatie. En de bedrogen echtgenoot werd door de invloed van de Treville beide keren weer op vrije voeten gesteld. De Treville raadde d’Artagnan echter met klem aan een eind te maken aan de affaire. Een affaire met een dame van stand kon goed zijn voor reputatie en carrière, zo luidde de Treville’s advies. Maar een affaire met een herbergiersvrouw was het schandaal van een bedrogen echtgenoot die je naar het leven staat niet waard. d’Artagnan nam deze raad ter harte en maakte een eind aan de verhouding. Kort nadat de herbergier voor de tweede keer werd vrijgelaten overleed deze echter. Zijn vrouw nam haar oude professie weer op: de verhuur van gemeubileerde kamers. In de Rue Montmartre verhuurde ze een kamer aan een kapitein van de Garde Suisse genaamd Straatman, een vriend van d’Artagnan. Deze Straatman was daar terecht gekomen vanwege de goede wijn in de kelders. Hij werd verliefd op de voormalige maîtresse van d’Artagnan. Zij had echter haar zinnen nog steeds op d’Artagnan gezet, maar die hield voet bij stuk. Volgens d’Artagnan was ze gek om niet op de avances van Straatman in te gaan, want een Zwitserse Gardist verdiende twee keer zoveel als een reguliere gardist, en bovendien had Straatman kwaliteiten. De door d'Artagnan onbeantwoorde liefde maakte de weduwe van de herbergier wraakzuchtig. Toen Straatman haar ten huwelijk vroeg stemde ze na lang aandringen toe op voorwaarde dat hij d’Artagnan zou vermoorden. Straatman stuurde enkele sterke kerels van zijn garde op d’Artagnan af, die gewond raakt en  slechts met moeite wist te ontsnappen. Dit was kennelijk voldoende om de weduwe overstag te doen gaan, en zij trouwde korte tijd later daadwerkelijk met Straatman. Van verdere moordpogingen zag Straatman daarna wijselijk af.

Bron: Memoires de M. d’Artagnan, vol. 1, van Gatien de Courtilz de Sandras, Keulen 1700.

Gatien de Courtilz de Sandras (1644– 1712) baseerde met name het eerste deel van de triologie Memoires van M. d’Artagnan naar eigen zeggen op d’Artagnans eigen memoires. Hoewel dit twijfelachtig is, zijn veel controleerbare details uit de memoires waarheidgetrouw. Of de Zwitserse Gardist Straatman daadwerkelijk heeft bestaan  is onbekend maar niet denkbeeldig. Gezien de schrijfwijze van diens naam (Straatman met dubbele A) in de originele eerste druk uit 1700 lijkt het echter niet aannemelijk dat de Zwitserse Gardist ook echt een Zwitser was. De schrijfwijze met dubbele A is in Frans- en Duitstalige  landen ongebruikelijk. Een herkomst uit de Nederlanden lijkt logischer.

dinsdag 20 oktober 2009

Liederlijk gedrag ener kapelaan

1683 november 13, Münster

Soms kom je tijdens je zoektocht naamgenoten tegen die er een verre van onbesproken levenswandel op na hielden. Zoals kapelaan Johannes Straatman. Hij was kapelaan in het Benedictijneressenklooster St. Aegidii te Munster van 1664 tot 1683.

Op 13 november 1683 werd hij, na een schandaal veroorzaakt te hebben, opgesloten in de St. Mauritz poort. Hij had naakt over straat gelopen en was zich te buiten gegaan aan alcohol:
Herr Stradtman, welcher cum scandalo hominum et praecipue cleri dahie gleichsamb nackendt auf den Strassen gehet und alles versauft, sole nacher St.-Mauritz-pforten ad custadiam gebragtt und dahselbsten mit geringen speissen bekostiget werden.

Bron: Germania Sacra, Neue Folge, Bd.10, Die Bistümer der Kirchenprovinz Köln. Das Bistum Münster 10, Das Zisterzienserinnen- später benediktinerinnenkloster St. Aegidii zu Münster, bearbeitet von Wilhelm Kohl, Berlin, 2009 (Uitg.: Walter De Gruyter), pag. 417